Een vrouw die in het Gentse woonde, reed elke dag naar haar werk in Brussel. Niet met haar eigen wagen, wel afwisselend met één van de auto’s die haar vader ter beschikking stelde van zijn kinderen. Voor deze terbeschikkingstelling zou ze haar vader een symbolische vergoeding betalen.
Het gebruik van de verschillende auto’s levert echter bewijsproblemen op voor de aftrek
van de werkelijke beroepskosten. Zo kan ze geen precieze kilometerstanden opgeven van bij het begin en het einde van het jaar – de vrouw ging enkel naar de garage wanneer het onderhoudsboekje het vereiste –, bijgevolg kan op basis van de onderhoudsfacturen van de wagens de kilometerstand op jaarbasis enkel bij benadering worden afgeleid. Daarnaast kan ze evenmin bewijzen op welke dag zij zich met welke wagen verplaatste. Ze begroot het aantal afgelegde kilometers aan woon-werkverkeer op 35.478 km, zijnde 219 gewerkte dagen x 81 km (afstand woon-werk) x 2 (heen en terug). Bij gebrek aan bewijs van deze kosten weigert de administratie er echter rekening mee te houden.
Photo credit by: <Blogspot ABVV>
De zaak wordt uiteindelijk voorgelegd aan de Gentse rechtbank van eerste aanleg. De rechtbank bevestigt dat de belastingplichtige de bewijslast van de beroepskosten draagt : het beroepskarakter, de echtheid en het bedrag van de kosten dient bewezen te worden.
Op basis van het neergelegde dossier, dat onder meer de onderhoudsfacturen van de drie gebruikte auto’s bevat, stelt de rechtbank vast dat het theoretisch bepaalde aantal kilometers voor de wagens 36.775 km bedraagt. Het totaal aantal kilometers van de drie wagens kan volgens de rechtbank dan ook het door de belastingplichtige opgegeven aantal kilometers aan woon-werkverkeer verantwoorden.
Bijgevolg concludeert de rechtbank dat de belastingplichtige redelijkerwijze aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan en dat een herberekening van de bestreden aanslag zich opdringt.
In het hierboven besproken vonnis dd. 14 oktober 2009 neemt de Gentse rechtbank van eerste aanleg een bijzondere soepele houding aan wat de bewijslast van de autokosten betreft. De Gentse rechter had het de belastingplichtige immers een stuk moeilijker kunnen maken door bijvoorbeeld de vraag te stellen of de vrouw in kwestie wel de enige was die zich met deze wagens verplaatste (uit het feitenrelaas van het vonnis blijkt immers dat de vader van de belastingplichtige verschillende auto’s ter beschikking stelde van zijn kinderen).
Het feit dat de belastingplichtige hier de auto (of liever meerdere auto’s) van haar vader gebruikt, is als dusdanig geen belemmering om het forfait voor woon-werkverplaatsingen te kunnen toepassen. Artikel 66 § 5 WIB bepaalt weliswaar dat het forfait van 0,15 EUR per kilometer enkel aan de belastingplichtige mag worden toegekend wanneer het betrokken voertuig hetzij zijn eigendom is, hetzij op zijn naam is ingeschreven bij de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen, hetzij door een huur- of leasingovereenkomst bestendig of gewoonlijk ter zijner beschikking is of hetzij aan zijn werkgever of vennootschap toebehoort en het hieruit eventueel voortvloeiend voordeel op zijn naam wordt belast. Het tweede lid van deze bepaling voegt daar echter aan toe dat in de eerste drie gevallen het forfait ook mag worden toegekend aan de echtgenoot of het kind van de belastingplichtige wanneer deze het voertuig gebruikt voor woon-werkverplaatsingen.
Wat nu de eigenlijke bewijslast voor de toepassing van het forfait betreft, aanvaardt de fiscus dat de belastingplichtige enkel het bewijs dient te leveren dat (1) het voertuig effectief voor het woon-werkverkeer werd gebruikt en dat (2) de daartoe verreden kilometers worden gerechtvaardigd (zie Com. IB. nr. 66/70). Het bewijs hiervan kan met alle middelen geleverd worden. Zoals door de belastingplichtige in het hierboven besproken vonnis werd gedaan en zoals ook de administratie in haar commentaar suggereert, kan het bewijs geleverd worden aan de hand van onderhoudsfacturen van de wagen, waarop de kilometerstand vermeld wordt.
Volgens bepaalde rechtspraak kan het voorleggen van onderhoudsfacturen echter niet geëist worden (zie bijvoorbeeld : Rb. Namen 22 mei 2002, Luik 25 maart 2005), maar in dat geval dienen er uiteraard andere elementen aanwezig te zijn die de afgelegde woon-werkverplaatsingen staven. In het vonnis van de rechtbank te Namen was er een attest van de werkgever dat kon worden voorgelegd, net zoals dat ook in de zaak voor het Luikse hof van beroep het geval was. Voor het hof werden daarnaast ook de bankuittreksels met de tankbeurten als bewijsstuk en verklaringen van buren voorgelegd.
De Naamse rechtbank van eerste aanleg aanvaardt overigens wel eens minder gebruikelijke bewijsmiddelen ter staving van het woon-werkverkeer. In een vonnis dd. 5 december 2007 kan men lezen dat de rechtbank toestond dat de belastingplichtige zijn bewijselementen (die an sich de rechtbank niet konden overtuigen) aanvulde met een – in fiscale zaken niet frequent toegepast – getuigenverhoor, waarbij één oud-collega van de belastingplichtige als getuige werd gehoord. Ondanks het feit dat het de enige getuigenis is en deze bovendien enkele onnauwkeurigheden bevat – volgens de rechtbank overigens een extra element om de waarachtigheid aan te nemen, gelet op het tijdsverloop van 8 jaar tussen de feiten en het verhoor, – geeft deze getuigenis de doorslag om de kosten voor de afgelegde woon-werkverplaatsingen te aanvaarden.
Het bewijs in het kader van woon-werkverkeer dat op de belastingplichtige rust, wordt dus doorgaans soepel ingevuld. Het jongleren met meerdere wagens bij woon-werkverplaatsingen, zoals in het vonnis van de rechtbank te Gent het geval was, opent echter de deur naar mogelijke misbruiken. Dit is ongetwijfeld de fiscale administratie ook niet ontgaan. Wordt dus (mogelijks) vervolgd …
Bron: gratis bronnen www.monKEY.be
Beste, in het kader hiervan heb ik een vraag. Ook ik heb de wagen van mijn ouders gebruikt voor mijn woon-werkverkeer. Mijn domicilieadres staat nog steeds bij mijn ouders in Aalst. Ik woon intussen echter in Gent en krijg van mijn werkgever dan ook een vergoeding woon-werkverkeer Brussel-Gent.
Ik woonde vroeger dichter bij mijn werk, maar ben dus intussen verhuisd. Ikzelf reed met een naft en mijn ouders met een diesel. Bijgevolg heb ik hun wagen gebruikt om me naar mijn werkplaats te begeven. Zij hebben dan maar met mijn wagen gereden gezien zij enkel korte afstanden doen. De kilometers van de Diesel volstaan dus voor de bewijslast.
Kan ik mijn werkelijke beroepskosten bewijzen voor mijn verplaatsing adhv de wagen van mijn ouders?
Vriendelijke groeten
Anoniem